Verplaatsing
Ik ken een man die uit zijn stoel opstaat,
Zich kalm verheft, zich bukt en met zijn hand
Het stof bedachtzaam van zijn broekspijp slaat,
Voelt of zijn buikriem naar believen spant,
Opnieuw zijn rug strekt, door een niemandsland
Van meubelen en schemerlampen waadt,
Bij een van kruk voorziene deur belandt
Waar hij zijn kamer zonder erg verlaat -
En die, in het aangrenzende vertrek,
waar geen gezeur of hindernis hem wacht
En alles hem doodvriendelijk toelacht,
Een ruimte, kortweg, waar hem niets bedreigt,
Een heimwee - alverterend, knettergek -
Naar de zojuist verlaten kamer krijgt.
Gerrit Komrij
Het sonnet is een versvorm die nog altijd veel lezers bekoort. In de nieuwe bundel Luchtspiegelingen van Gerrit Komrij is bijna de helft van de gedichten een sonnet. De vormvastheid van de dichter des vaderlands is natuurlijk bekend. Des te verrassender was zijn gedicht naar aanleiding van de recente koninklijke verloving, dat een 'vrij' gedicht was. Een goed en mooi gedicht, zonder enige ironie. De keuze voor het vrije vers zegt in de context van deze verloving natuurlijk heel veel. Los van dit feit belooft dit iets. Ik hoop van harte, dat Gerrit Komrij de lezer meer vrije verzen zal schenken.
Bij het woord verplaatsing in verband met mensen denken we tegenwoordig wellicht al direct aan migratie en op zijn minst aan een reis. In bovenstaand gedicht is de beweging daarentegen minimaal. De eerste regel is prachtig. De beginwoorden Ik ken lijken niet in verhouding te staan tot wat volgt: een man die uit zijn stoel opstaat. Dat is het tegendeel van het avontuur of de bijzonderheid die je na zo'n introductie verwacht. Er volgen enkele minieme trage handelingen, die het op weg gaan ook nog uitstellen. Dit opstaan is iets gewichtigs. Alsof de aarde wordt verlaten en resten daarvan worden afgeschud: de stof, de gevulde buik. Maar er staat wat er staat. Vertraging en precieze waarneming van een kleine handeling hebben een vervreemdend effect.
In de tweede strofe begint de verplaatsing met het strekken van de rug. De kamer is een niemandsland, een doodstil landschap met doodstille dingen. De man loopt niet, hij waadt alsof hij door beendiep water langs de dingen heen gaat, heel voorzichtig om ze niet aan te raken. Met één kleine hand- en arm- en voetbeweging verlaat hij die kamer, zonder erg. Juist het woord 'verlaat' rijmt op 'opstaat'. Dat is mooi. De man stond immers op de kamer te verlaten. Hij gaat de kamer uit zoals iemand adem uitblaast. Zoals iemand misschien laatste adem uitblaast. Die sfeer heeft het hier. Maar het staat er niet. Met verlaat wordt ook de eerste echte volzin verlaten, de zin die de eerste acht versregels omvat. Het is de eerste 'kamer' van het sonnet.
Het begin van de eerste terzine sluit aan op de eerste regel van het gedicht. De man is nu in de aangrenzende kamer. Die twee zaken markeren de 'volta', de wending van het beschrijvende naar het beschouwende deel. We zijn in de tweede 'kamer' van het sonnet. We lezen mogelijk de reden van de verplaatsing: gezeur en hindernis. Het staat er niet expliciet. Alleen, dat die níét in dit vertrek zijn. Híér lacht alles hem doodvriendelijk toe. Er is opnieuw de suggestie dat het hier óók om dood en leven gaat. De dichter speelt daarmee. De eerste kamer is als het leven met z'n gezeur en obstakels, de tweede kamer is een 'hierna', een leven ná het gezeur.
De tweede terzine begint met een ruimte, een veel algemener woord dan kamer of vertrek. De volgende regel maakt pas het begin van de eerste terzine af: En die (...) een heimwee (...) krijgt. Dit heimwee naar de eerste kamer is onverdraaglijker dan al het 'gedoe' in die kamer. De man wil terug! Terug naar het gezeur!
De bundel onderscheidt zich van vorig werk door onomwonden heimwee en melancholie. Heel mooi en toch helemaal Komrij.
Gerrit Komrij: ' Luchtspiegelingen'; uitg. De Bezige Bij, 70 blz, prijs ƒ34,90
(verscheen in Dagblad BN/De Stem op 6 april 2001)