Y. Né
Y. Né over (haar) poëzie
De poëzie is de meest zintuiglijke vorm van literatuur en ook de oudste. In poëtische woorden en klanken tast de dichter zijn omgeving af, de relatie die hij daarmee onderhoudt en zichzelf. Maar de poëzie is meer dan een instrument. Geworteld in de zintuigen wordt poëzie zelf tot een zintuig. Het gedicht spreekt van het verlangen naar een soort van eenwording met het subject van de waarneming, misschien wel naar een unio mystica, maar daarvoor schieten de lichamelijke zintuigen te kort. Of er zijn stoorzenders. Het gedicht lijkt de neerslag te zijn van een concrete ervaring of waarneming, alsof méér niet haalbaar is. Toch houdt het ineens een herinnering én een belofte in. Het brengt de spirituele vonk in een lijfelijke gewaarwording. Overrompeling en verwondering gaan daarbij hand in hand. Als in een geconcentreerd spel. Als ‘voor het eerst’. Poëzie is een spel met de waarnemingen van de volwassen mens en op datzelfde moment is zij een spel met de taal en het spreken. Poëzie is niet zomaar taal, zij is de ‘andere’ taal. Met haar ongewone eigenschappen benadert zij het meest het pure kinderspel. Nooit zonder het melancholische besef dat dit feitelijk onbereikbaar is geworden. Nooit zonder beschouwing, dus afstand. Maar steeds weer is zij ontmoeting. Met 'het andere', met 'de ander'.